Header LUCHTDICHTHEIDSTEST MET BLOWERDOOR
Luftdichtheidssystemen

LUCHTDICHTHEIDSTEST MET BLOWERDOOR


Het onderscheidt tussen twee meettijden:

  • Afsluitende meting (gebruikstoestand)
  • Bouwfasemeting

De controle van de dichtheid van een gebouw gebeurt met de zogenaamde “blowerdoormeetmethode”. Als deze meting tijdens het bouwproces tijdig wordt uitgevoerd, kunnen daardoor eventuele ondichtheden worden vastgesteld en nog zonder grote kosten worden verholpen. Na het verhelpen van eventuele gebreken en afwerking van het gebouw gebeurt de afsluitende meting in gebruikstoestand. Meestal moet de afsluitende meting worden voorgelegd aan de instanties voor het verlenen van subsidies of de overheden.

Zo werkt het:

Bij de blowerdoormeting wordt gemeten hoe vaak het luchtvolume van het gebouw bij een bepaald drukverschil tussen de binnen- en buitenlucht per uur wordt uitgewisseld.

Om dit drukverschil op te bouwen, wordt in een open raam of buitendeur een telescopisch kader gezet waarover een folie is gespannen.

In een opening in die folie bevindt zich een ventilator. Het toerental van de ventilator wordt zodanig geregeld dat er zich een gedefinieerde druk tussen binnen en buiten instelt. Om deze druk te handhaven, moet de ventilator zo veel luchtvolume transporteren als er door lekkages van het gebouw ontsnapt.

Als dit drukverschil voorhanden is (onderdruk in het gebouw) kunnen lekkages in de gebouwschil gemakkelijk worden gevonden. De lekkages kunnen al met de blote hand worden gevoeld. Het trekt zogezegd door alle kieren. Lekkages kunnen ook met behulp van rookbuisjes (in overdruk), luchtsnelheidsmeters en thermografische meetapparatuur worden gelokaliseerd.

Voor de graad van de luchtdichtheid, de n50-waarde, gelden vastgelegde, wettelijk bindende grenswaarden die niet mogen worden overschreden. Als meetwaarde in het verslag wordt het gemiddelde vermeld.


FEITEN & WAARDEN

De blowerdoormeetmethode is een genormeerde methode om de luchtdichtheid van de gebouwomhulling te controleren. De n50-waarde (ventilatievoud) geeft aan hoe vaak de lucht in het gemeten gebouw per uur wordt uitgewisseld. De grenswaarden zijn in nationale normen of in vereisten voor bouwsubsidies geregeld, maar kunnen ook door de planner worden voorgeschreven. Er worden zowel woningen als volledige gebouwen gemeten.
Voor gebouwen zonder mechanische ventilatie (met raamventilatie) is doorgaans een n50-waarde van minder dan 3,0 1/h vastgelegd, bij woonhuisventilatie minder dan 1,5 1/h. Voor passiefhuizen is een ventilatievoud van minder dan 0,6 1/h vereist. Deze waarden komen uit OIB RL6 resp. DIN 4108-7. Gelieve zeker naar de voorgeschreven grenswaarden voor uw bouwsubsidie te informeren.